|
|
| 1. | Je denkt voortdurend aan eten en caloriën. |
| 2. | Je plant je voedselinname heel zorgvuldig en raakt in paniek wanneer je je daar niet aan kunt houden. |
| 3. | Je weegt jezelf veelvuldig, vaak wel een paar keer per dag. |
| 4. | Je raakt in paniek wanneer je bent aangekomen, al is het maar een pond. |
| 5. | Je voelt je sterk wanneer je niet eet. |
| 6. | Je stemming wordt grotendeels bepaald door wat je eet en wat je weegt. |
| 7. | Wanneer je volgens jezelf teveel eet, moet het er weer uit (met laxeermiddelen of overgeven). |
| 8. | Je doet veel aan lichaamsbeweging en raakt in paniek als je naar jouw idee niet genoeg hebt gedaan. |
| 9. | Je probeert sociale situaties waarin gegeten wordt te vermijden en verzint smoesjes om maar niet te hoeven eten. |
| 10. | Je ondervindt de lichamelijke gevolgen (wegblijven van de menstruatie, koude voeten, slaapproblemen, haaruitval, slecht gebit, moeilijke stoelgang e.d.). |
| 11. | Je denkt of houdt jezelf voor dat er niets met je aan de hand is, ook al kun je je bijna nergens anders meer op concentreren dan op afvallen. |
| 12. | Je zondert je steeds meer af van familie en vrienden, je voelt je onbegrepen en wantrouwt steeds meer je omgeving ('ze zijn tegen me'). |
| 13. | N.B. Een te laag gewicht kan worden bepaald met je BMI-waarde (uitrekenen). |
| 14. | Bron: Stichting Anorexia en Boulimia Nervosa. |